Velt Plantenzoeker

Successie

Successie

Successie is een natuurlijk proces. Het is de spontane ontwikkeling van een vegetatie. 

 

Een kale bodem in de zon of een waterplas blijft niet lang onbegroeid. Al snel krijg je plantengroei. Als je niet ingrijpt, verandert de plantengroei steeds van uitzicht en komen er steeds meer planten. De waterplas en de kale bodem groeien uiteindelijk helemaal dicht. Jaren later krijg je een climaxvegetatie die niet meer van uitzicht verandert. In België is dat een loofbos. In successie volgen volgende stadia elkaar op: pioniersvegetatie, graslandvegetatie, ruigtekruidenvegetatie en uiteindelijk struweel- en bosvegetatie.

 

Pioniersvegetatie

Pioniersplanten zijn planten die de bodem heel snel bedekken. Ze kiemen snel, groeien snel en bloeien snel. Ze vormen veel en licht zaad dat zich makkelijk verspreidt. Zo bedekken ze heel snel een braakliggend terrein. Ze komen in grote aantallen voor. We vinden pioniersplanten o.a. aan een omgevallen boom, waar mensen actief zijn en na een storm of een brand. Pioniers zijn vaak één- en tweejarige kruiden zoals melganzevoet, perzikkruid, korenbloem, klaproos en kamille.

 

Graslandvegetatie

Na een tijd evolueert de pioniersvegetatie naar een graslandvegetatie. Dat gebeurt meestal na één groeiseizoen. Grassen zijn meerjarig. Ze kiemen trager en wortelen dieper dan pioniersplanten. De graswortels vormen een grasmat die ondoordringbaar is voor de wortels van pioniersplanten. De pioniersplanten verdwijnen, omdat ze niet kunnen concurreren met de grassen. 

In een graslandvegetatie vind je naast grassen ook andere planten: de graslandplanten. Hun bouw is aangepast aan het leven in een dichte grasmat. Ze hebben diepe wortels die onder de mat van graswortels zitten. Vaak hebben graslandplanten een bladrozet. Met dat rozet werpen ze schaduw op het gras dat rond hun stengel groeit. Zo houden ze het gras op een afstand. Gras groeit immers niet goed in schaduw. Graslandplanten hebben een lange bloeistengel die boven de grassen uitsteekt. Een voorbeeld van een typische graslandplant is de paardebloem. Graslandplanten zijn vaak geliefde tuinplanten. Veel sierplanten zijn graslandplanten, denk maar aan margrieten, gewoon duizendblad en langbladige ereprijs. 

 

Ruigtekruidenvegetatie 

Als het gras niet gemaaid of afgegraasd wordt, komt het in bloei. Na de bloei leggen de halmen zich plat en sterven ze af. Dat gebeurt jaar na jaar opnieuw. Het resultaat is een dik pak opeengestapeld gras waarvan de onderste laag langzaam verteert. Door die vertering wordt de bodem voedselrijker. Na verloop van tijd worden de graslandplanten vervangen door ruigtekruiden. Ruigtekruiden zijn meerjarige, hoogopschietende kruiden die groeien op voedselrijke bodems. Tot deze groep behoren o.a. de brandnetel, braam, leverkruid, harig wilgenroosje, boerenwormkruid, grote kaardebol, moerasspirea en kattestaart. Langzaamaan verdwijnen het gras en de graslandplanten. 

 

Struweel- en bosvegetatie

In de ruigte komen langzaam maar zeker zaailingen van struiken en bomen. Hun zaden worden aangevoerd door de wind, het water en vogels. Er ontstaat een struweel met struiken als meidoorn, sleedoorn, wilg, vlier,… en de eerste bomen schieten op (berk, els, abeel,...). Na verloop van tijd groeien bomen boven het struweel uit. Een aantal struiken verdwijnt door het gebrek aan licht. Het struweel verandert dan in bos. Wat nog rest aan grassoorten of ruigtekruiden verdwijnt volledig door het tekort aan licht. 

De eerste bomen zijn lichtkiemers. Dat betekent dat hun zaad licht nodig heeft om te kiemen, bv. in een ruigtevegetatie. Door hun dichte bladerdek maken zij dan de weg vrij voor soorten die een schaduwrijke plek verkiezen. Het bos evolueert verder. Van een gemengd bos met lichtsoorten (o.a. berk, populier en grove den), evolueert het naar een bos met halfschaduwsoorten (o.a. eik, es, tamme kastanje en boskers) en ten slotte met schaduwboomsoorten (o.a beuk, haagbeuk en esdoorn). Oud bos is in ons klimaat wat men noemt de climaxvegetatie, het eindpunt. Als de mens niet ingrijpt – door bv. houtkap of een bosbrand – blijft dit een stabiel ecosysteem. Wel kunnen er plaatselijk open plekken ontstaan, waar dan opnieuw successie zal optreden. Een open plek komt er bv. als een boom ontworteld raakt of als wild een plek intens begraast. Hier vestigen zich in de loop der jaren opnieuw houtige gewassen. Op grotere schaal blijft het ecosysteem echter behouden.